fbpx
 

Welke woorden moet ik niet in mijn tekst gebruiken?

(content)marketing Welke woorden moet ik niet in mijn tekst gebruiken?

Welke woorden moet ik niet in mijn tekst gebruiken?

Als jij lezers in kopers wilt veranderen, is het belangrijk dat jij schrijft met jouw ideale klant in gedachten. Dat je tekst daarnaast leest als een trein helpt natuurlijk ook. In deze blog deel ik 7 woorden met je die je beter niet in je tekst kunt gebruiken, omdat ze de vaart uit je verhaal halen.

  1. Zullen

Vergelijk deze twee zinnen eens met elkaar:

  • ‘je zult resultaat gaan zien’
  • ‘je ziet gegarandeerd resultaat’.

Welke spreekt jou dan het meeste aan? Mij de tweede, omdat deze minder twijfelachtig is. Het woord ‘zullen’ bouwt een onzekerheid in. Ambtenaren zijn er gek op (ik mag het zeggen, ik ben er één geweest), let er maar eens op. Je tekst wordt sterker als je het woord zullen niet in je teksten gebruikt.

  1. Ook

Yep, in mijn inleiding staat het woord ‘ook’. Vaak kun je het echter prima weglaten, zonder dat het je tekst geweld aan doet. Vermijd daarnaast formuleringen die dubbelop zijn, zoals de combinatie hetzelfde / ook. Bijvoorbeeld: Elise vond een vakantie niet nodig; Bram vond hetzelfde ook. Schrijf in dit geval: Bram vond het ook of: Bram vond hetzelfde.

  1. Vaktaal

Veel mensen denken dat als ze maar veel moeilijke woorden gebruiken lezers, kijkers of luisteraars ervan overtuigd raken dat ze verstand van een onderwerp hebben. De afzender vergeet dat mensen juist afhaken als ze niet snappen waar het over gaat. Gebruik de taal van jouw klant. Oh, en gebruik nooit het woord vakjargon, dat is dubbelop. Jargon is een ander woord voor vaktaal. Schrijf dus óf jargon óf vaktaal.

  1. Toen

Mijn neefje en nichtje vinden het heerlijk om verhalen te vertellen. Ze hangen aan elkaar van het woorden ‘en toen’. Wees spaarzaam met dit woord. Het haalt de flow uit je tekst.

  1. Eigenlijk

Eigenlijk is een overbodig stopwoord. Ze wilden eigenlijk naar de film toegaan, betekent dat ze naar de bioscoop wilden gaan, maar dat er iets tussenkwam. Leg uit wat dat is, bijvoorbeeld: Ze wilden naar de film toegaan, maar er draaide geen film die ze leuk vonden.

  1. Niet / geen

De woorden niet en geen geven aan dat iets niet gebeurt, er niet is of niet is gewenst. Bedenk goed wat jouw lezer aan die informatie heeft. Interessanter is wat er wél gebeurt, er wél is of wél is gewenst. Gebruik je niet of geen, zorg er dan voor dat je uitlegt wat de lezer dan wel moet doen/ weten of kennen.

  1. Maar, toch en hoewel

Maar en toch zijn spiegelingen van elkaar, net als hoewel en toch. Als je de een gebruikt, kun je de ander weglaten. Bijvoorbeeld: De tas was erg duur, maar toch kocht Ellen hem. Of: Hoewel de tas erg duur was kocht Ellen hem toch. Je kunt in beter schrijven: De tas was erg duur, en toch kocht Ellen hem of Hoewel de tas erg duur was, kocht Ellen hem.

Vermijd deze woorden en je tekst leest meteen een stuk fijner en sneller. Je lezer is je gegarandeerd dankbaar.

Heb jij iets aan deze blog gehad? Like of deel ‘m dan. Vind ik leuk!