fbpx
 

De 5 meest gemaakte spellingsfouten en grammaticale fouten

De 5 meest gemaakte spellingsfouten en grammaticale fouten

Twijfel jij, net als ik, of je een bepaald woord aan elkaar schrijft of los? Heb je geen idee wanneer je ‘hen’, ‘hun’ of ‘zij’ schrijft, hoe het zit met verwijswoorden of een tussen-n? En wil je eindelijk wel eens weten hoe het zit met -d, -t en -dt? Dan is deze gastblog van Martha Pelkman over de meest gemaakte spellingsfouten en grammaticale fouten iets voor jou. Ze deelt er 5 met je en legt uit hoe je ze verbetert. 

Spellingsfout 1: los of vast?

Moet een woord aan elkaar of vast of misschien met een streepje er tussen? Dit kan een heus struikelblok zijn. Het Nederlands houdt ervan om woorden aan elkaar te schrijven, zogenaamde samenstellingen. Met deze regels kom je een heel eind.
a.   Als je geen lees- of uitspraakproblemen krijgt, dan schrijf je het aan elkaar, bijvoorbeeld: remlicht, dansvloer, koffiekopje.
b.   Je gebruikt een koppelteken (-) als je wel problemen krijgt met de uitspraak, bijvoorbeeld: mavo-opleiding, lila-achtig,
Het koppelteken gebruik je bij bijzondere tekens, zoals 20€-biljet, @-teken, maar ook bij samenstellingen met een afkorting of een naam, zoals VWO-leerling en kabinet-Rutte. De voorvoegsels adjunct, sint, oud, non en niet hebben een koppelteken, denk aan adjunct-directeur, Sint-Nicolaas, oud-voetballer en niet-roker. Latijnse en Griekse voorvoegsels zoals anti, loco, vice en co krijgen geen koppelteken meer. Denk aan: antiroker, locoburgemeester, vicevoorzitter en coassistent. Als er uitspraakproblemen zijn, dan gebruik je wel een koppelteken, bijvoorbeeld bij co-existentie en re-integratie.

Grammaticale fout 2: verwijswoorden

Bij een mannelijk of onzijdig woord verwijs je met hij, het, hem of zijn. Bij een vrouwelijk woord verwijs je met zij of haar. Dat is makkelijk gezegd, maar hoe weet je of je met een mannelijk, vrouwelijk of onzijdig woord te maken hebt? Dat kun je natuurlijk opzoeken op het internet, maar er zijn ook een paar handvatten die je kunnen helpen bij het bepalen van het geslacht van het woord.

  • Een mannelijk en een vrouwelijk woord heeft ‘de’ als lidwoord.
  • Een onzijdig woord heeft ‘het’ als lidwoord.
  • Woorden die eindigen op -heid, -ing, -nis, -schap, -de, -te, -ij, -ie, -iek, -ica, -theek, -teit, -tuur, -ture, -suur, -sure, -ide of -ode zijn over het algemeen vrouwelijk.
  • Concrete woorden, woorden die je vast kunt pakken zijn vaak mannelijk
  • De grote, ontastbare, begrippen, zoals liefde, vrede, oorlog,  wanhoop zijn vaak vrouwelijk.
  • Namen van landen en steden zijn onzijdig

En dan zijn er nog verwijswoorden die kunnen verwijzen naar een zin. En daar gaat het vaak mis. Gelukkig heeft het Nederlands daar dan ook weer regels voor.

Als je wil verwijzen naar een voorafgaande zin, gebruik je ‘wat’: Ik heb een boek gekregen wat ik leuk vindt. Hier zeg je dus dat je het leuk vindt dat je een boek hebt gekregen. Er is een subtiel verschil met de zin ‘Ik heb een boek gekregen dat ik leuk vind.’ Hier gaat het namelijk om het boek. ‘Dat’ verwijst in dat geval altijd naar een onzijdig woord.
Als je wil verwijzen naar iets onbepaalds, bijvoorbeeld ‘iets’ of ‘alles’ dan gebruik je ook ‘wat’: Dat is alles, wat ik weet.

Verwelking. Sommige mensen gebruiken ‘welke’ of ‘hetwelk’ of ‘dewelke’ om mee te verwijzen. Denk bijvoorbeeld aan: ‘De vraag welke u stelt…’ of ‘De woonkamer, welke is voorzien van een betonnen vloer’. Dit kun je doen, als je stijfjes en formeel wil overkomen. Mijn advies: niet doen. Het staat ouderwets en is niet meer van deze eeuw. Vervang deze woorden door die of dat, al naar gelang de grammaticale situatie het toelaat.

Spellingsfout 3: tussen-s en tussen-n

Sommige samenstellingen hebben een tussen-s of tussen-n. Er is een heel handige truc om te weten hoe je ermee moet omgaan. Ik begin met de tussen-s.

Om te weten of je wel of geen tussen-s schrijft, doe je een simpele test. Spreek het woord hardop uit en als je een ‘s’ hoort, dan schrijf je die ook. Bijvoorbeeld: stationsplein of dorpsplein.

Als in de samenstelling het tweede woord begint met een s-klank, dan is het best lastig te bepalen of je wel of geen tussen-s schrijft. Ook daar hebben we een trucje voor. Vervang het tweede woord door iets dat niet met een s begint en dan kun je de eerste test weer doen. Hoor je de s, dan schrijf je de s. Bijvoorbeeld:
Station + chef = stationschef, want stationsplein
Dorp + straat = dorpsstraat, want dorpsplein.

Om te bepalen of je een tussen-n schrijft, moet je een aantal vragen beantwoorden.

1. Is het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord?

  • Nee: schrijf dan geen tussen-n, bijvoorbeeld goedemorgen, spinnewiel
  • Ja, ga naar de volgende vraag

 

2. Heeft het eerste deel van het zelfstandig naamwoord ook een meervoud op –s?

  •  Ja: schrijf het eerste deel zonder –n, bijvoorbeeld aspergebed
  • Nee, ga naar de volgende vraag.

 

3. Heeft het zelfstandig naamwoord alleen een meervoud op –en?

  • Ja, schrijf dan ook –en in de samenstelling.

 

Laten we dit schema doorlopen voor kip + soep en voor groente + winkel en voor wieg + lied.
Kip + soep. Het eerste deel is een zelfstandig naamwoord, het heeft geen meervoud op s (kips is een leverworst en niet twee of meer kippen) dus het heeft alleen een meervoud op –en. Daarom schrijven we kippensoepen ook tomatensoep.
Groente + winkel. Het eerste deel is een zelfstandig naamwoord, heeft ook een meervoud op -s, want groenten/groentes mag allebei, dus daarom schrijven we groentewinkel.
Wieg + lied. In dit geval is het eerste deel geen zelfstandig naamwoord, want het gaat hier om het werkwoord wiegen. Daarom schrijven we wiegelieden ook spinnewiel.

Grammaticale fout 4: d’s, t’s en dt’s

Om te bepalen of je in een werkwoord een d, t of dt schrijft, doen we de smurfentest. Sommige mensen hebben dit geleerd met horen of lopen, maar de smurfen zijn hierin sterker, omdat het de betekenis uit de zin haalt, waardoor je niet afgeleid raakt door de vreemde zinswending die je krijgt bij horen en lopen. Wil je weten hoe het zit met de werkwoordspelling? Dan kun je hier een cheatsheet downloaden.

De smurfen smurfen vaak smurfbeien. Smurfin smurft een smurfbeientaart. Smulsmurf versmurft de kruimels die overbleven.  De smurf werkt alleen in de tegenwoordige tijd.
Als je een zin krijgt met ‘worden’ of ‘vinden’ dan kun je die werkwoorden vervangen door ‘smurfen’. Bijvoorbeeld:
Hij vin(d/t/dt) taart lekker.
Hij smurft taart lekker.
Je ziet dat bij het smurfen een –t komt te staan. Daarom kun je nu kiezen voor dt in de gewone zin: Hij vindt taart lekker. We laten de –d staan, omdat die in de stam van het werkwoord staat.

Wor(d/t/dt) je zus wel weer beter?
Smurft je zus wel weer beter?

Je ziet ook hier een –t in de smurfzin. Daarom kun je nu ook veilig kiezen voor: Wordt je zus wel weer beter? Ook hier kiezen we voor -dt omdat de stam van het werkwoord worden word is.

En als laatste:

Vin(d/t/dt) jij die smurfentruc ook zo handig?
Smurf jij die smurfentruc ook zo handig?

In deze zin vind je geen –t bij de smurf, dus schrijven we: Vind jij die smurfentruc ook zo handig? En dit smurfje kun je bij alle werkwoorden in de tegenwoordige tijd toepassen.

Speciaal voor jou ontwikkelde Martha een handige, gratis download die je helpt bij het bepalen of  je een d, t of dt moet gebruiken.

Grammaticale fout 5: hun, hen, zij

Hoe vaak hoor je niet: “Hun hebben…” en dan de rest van de zin. Iedereen weet dat het “Zij hebben…” moet zijn. Wanneer gebruik je nu ‘hun’ en wanneer gebruik je ‘hen’? Hun gebruik je als het een meewerkend voorwerp is in een zin. Een meewerkend voorwerp kon je herkennen door er aan of voor bij te zetten in de zin: Ik geef hun bloemen.

Hier is ‘hun’ het meewerkend voorwerp.

‘Hen’ gebruik je als het gaat om een lijdend voorwerp of als er een voorzetsel voor staat.
Ik beloon hen.
Ik geef bloemen aan hen.

Zie je de valkuil? In de tweede zin hebben we te maken met een meewerkend voorwerp, maar door het gebruik van het voorzetsel moet ik wel ‘hen’ gebruiken en niet ‘hun’.

Als je het niet zeker weet, gebruik dan ‘ze’.
Ik beloon ze.
Ik geef ze bloemen.

Je kunt hun en hen overigens alleen gebruiken voor personen. Voor dieren en zaken gebruik je ‘ze’.
Ik haal de boeken op en geef ze aan jou.

Wil je weten hoe het zit met de werkwoorden en hen en hun? Ga dan naar Onze Taal voor een geregeld aangevulde lijst met combinaties.